De aard van nano
Op nanoschaal, daar tellen
geen wetten van op aard.
Geen mensentaal zegt helder
waar het echt op staat.
Een enkel, ongeleid elektron
volgt lang geen logisch pad.
Een molecuul, lukraak gestapeld,
heeft zijn eigenschap gehad.
Geleiding zonder weerstand
treedt daar op zonder draad.
Een microscoop als grijparm
schrijft atomen met karaat.
Op een duimbreed lab met oven
stuurt men stoffen door een chip.
Een lichtsignaal springt over,
als bekroning van de trip.
Mesa publiceert geregeld,
onmeunig klein op mondiaal niveau,
Een nieuwe spreuk in Twents betegeld:
Nano is niet zo, maar zó!
Ravelijn
Speak up, and listen
See who’s coming unto you,
Take a look at the ceiling,
Watch the light come shining through.
Een lichte index van breking
Als van flinterdun glas,
Laat het vooroordeel verdwijnen,
Dichterbij de zon, als ware het was.
High tech rust niet maar altijd,
Of zweeft in de cleanroom van één hoge geest.
Ontmoet onbaatzuchtig, laat je inval delen,
Verander steeds.
Halfzon
De uitgerekte wolk, omhooggebogen,
gekrulde helix van lichtend engelhaar
door een donk’re sluier opgezogen.
De halfzon
is maar een enkeling gewaar
in het koude noorden
van deze platte planeet
waar geen verheven woorden zijn
voor wat niet weet.
Het ijlende kind met donkere krullen.
De kwade kiem ongewis maar toegedekt,
met zachte handen
een hoop aardekruimels los uitgestrooid
om de duivelse vloek
te verbannen.
Zag hij de halfzon,
nog niet opgewekt,
toegeknepen dan ,
in het binnenst zicht,
een eigen licht.
Carré
Geachte opponent, uw tijd dringt.
Zag ik u bij de diagonaal?
Proost met mij, op m’n nieuwe ik,
In mijn eigen taal.
In het leerlingenkabinet
Begon ik willens en wetens,
Rolde de Erlenmeyer door het warme bad.
Mijn eerste polyesterketens.
Geachte opponent, zag ik u
Tussen de uitwerkplek en de binnenring niet,
In het lab almaar terugkerend
Op mijn schreden in het schemergebied?
Ik experimenteerde op het fundament
Met precies de juiste trillingsgraad,
Om de laserstraal niet af te leiden.
Aphrodesiac zocht ik dichtbij, ver uitzicht over straat.
Gebouwd op oud, door twee pleinen omzoomd,
Wit, vrijgesteld om door te reizen,
De brede trappen van schoon hout en beton,
Transparant de gang, bedekt met posters der wijzen.
Daar ontdekte ik mezelf,
Ondervond ik grote eer,
Geachte opponent, proost met mij,
Een maagd ben ik niet meer.